Verbindend schoolklimaat

Wat cijfers zichtbaar maken: drie inzichten van AQMAPPS 2026 in Tallinn

Data vertellen meer dan cijfers alleen. Vanuit AQMApps 2026 in Tallinn delen we drie inzichten over hoe data en digitale toepassingen kunnen helpen om onderwijs beter te begrijpen, gerichter bij te sturen en onderbouwde keuzes te maken.
data vertellen meer dan cijfers

Tijdens het AQMAPPS-congres in Tallinn stonden geavanceerde kwantitatieve onderzoeksmethoden en hun betekenis voor beleid centraal. Tussen de vele cijfers, modellen en analyses door bleven vooral drie inzichten bij ons hangen. Over grensoverschrijdend gedrag in de academische wereld, over de meetbaarheid van overtuigingen en gevoelens, en over de uiteenlopende verhalen achter vroegtijdig schoolverlaten.

Seksuele intimidatie raakt ook academische loopbanen

Lydwin was het meest onder de indruk van de lezing van dr. Johanna Rickne, professor economie aan het Swedish Institute for Social Research van Stockholm University. Onder de titel Sexual harassment and women’s academic careers presenteerde zij onderzoek naar de ervaringen van vrouwelijke doctoraatsstudenten en voormalige doctoraatsstudenten in Denemarken.

De cijfers zijn confronterend: 47% van de bevraagde vrouwen maakte op het werk één of meerdere vormen van seksuele intimidatie mee. Tegelijk blijft ook de vertegenwoordiging van vrouwen aan de academische top beperkt. In Denemarken is slechts 25% van de professoren vrouw. In Vlaanderen doen we het met 33% iets beter, maar ook hier blijft de ongelijkheid aanzienlijk.

Die bevindingen doen ons nadenken over de plaats van relationele en seksuele vorming in het onderwijs. Hoe leren we jongeren om machtsmisbruik te herkennen en bespreekbaar te maken? Hoe oefenen ze in het aangeven én respecteren van grenzen? En welke strategieën kunnen omstanders inzetten wanneer ze getuige zijn van grensoverschrijdend gedrag?

Dat zijn geen vaardigheden die vanzelf ontstaan. Ze vragen taal, oefenkansen en een veilige leeromgeving. Scholen kunnen daarin een belangrijke rol opnemen. De sociaal-relationele sleutelcompetentie biedt daarvoor een aanknopingspunt, maar de vraag blijft: hoeveel scholen maken hier vandaag al bewust en structureel werk van?

Ook overtuigingen en gevoelens kunnen onderwerp zijn van onderzoek

De conferentie vertrok nadrukkelijk vanuit kwantitatief onderzoek. Toch viel het Laurens op hoe vaak overtuigingen en gevoelens deel uitmaakten van de voorgestelde studies. Zaken die we soms als moeilijk meetbaar beschouwen, werden er verbonden met cijfers, analyses en maatschappelijke vraagstukken.

Wat is bijvoorbeeld de invloed van meritocratisch denken op onze overtuiging dat iedereen eerlijke onderwijskansen krijgt? Welke rol spelen opvoedingsstijlen bij de schoolkeuze? Hoe verhouden een gevoel van nationale verbondenheid en een minderheidsidentiteit zich tot elkaar?

Ook bij het stimuleren van gewenst gedrag blijken gevoelens en overtuigingen relevant. Mensen handelen niet alleen goed omdat ze bang zijn voor een straf. Ook ervaren rechtvaardigheid, vertrouwen, sociale normen en een gevoel van morele verantwoordelijkheid kunnen krachtige drijfveren zijn.

Precies die combinatie vonden we interessant: kwantitatief onderzoek dat niet alleen kijkt naar gemakkelijk telbare gegevens, maar ook probeert te begrijpen wat mensen denken, voelen en belangrijk vinden. Voor het onderwijs biedt dat veel mogelijkheden. Data hoeven de menselijke werkelijkheid niet te reduceren. Ze kunnen ons juist helpen om die werkelijkheid beter te begrijpen, zolang we de juiste vragen stellen en cijfers steeds in hun context bekijken.

Achter één risicoscore schuilen verschillende verhalen

Een derde inzicht ging over vroegtijdig schoolverlaten. Onderzoek van Lema, Ludovico en Agasisti, gebaseerd op machine learning, laat zien dat vroegtijdige schoolverlaters geen homogene groep vormen.

Sommige jongeren vertonen al langere tijd zichtbare signalen, zoals leerachterstanden, zittenblijven of gedragsproblemen. Andere leerlingen blijven administratief onder de radar en vallen schijnbaar onverwacht uit. Wanneer we al deze jongeren in één risicoscore proberen te vatten, dreigen we belangrijke verschillen over het hoofd te zien.

Als we vroegtijdig schoolverlaten in het secundair onderwijs doeltreffend willen aanpakken, is een gedifferentieerde benadering nodig. Voor scholen en beleidsmakers zien we drie belangrijke lessen.

1. Kijk verder dan de hoogte van het risico

Een signalatiesysteem moet niet alleen aangeven hoe groot de kans op uitval is, maar ook welk type risico er speelt. Pas wanneer we het verhaal achter het signaal begrijpen, kunnen we gepast handelen.

2. Stem de ondersteuning af op de behoefte

Leerlingen met een geschiedenis van zittenblijven kunnen gebaat zijn bij intensieve vakinhoudelijke remediëring. Voor oudere jongeren of leerlingen die de aansluiting met school verliezen, kunnen mentorschap, psychosociale begeleiding en sterke ouderbetrokkenheid meer verschil maken.

3. Zet relaties centraal

De band met leerkrachten en klasgenoten is een van de sterkste beschermende factoren tegen schooluitval. Investeren in een positief klasklimaat, betrokken leerkrachten en een warm schoolteam is dus geen bijkomstigheid. Het maakt deel uit van een doeltreffend preventiebeleid.

Cijfers als vertrekpunt voor een gesprek

De drie inzichten lijken op het eerste gezicht over heel verschillende thema’s te gaan. Toch delen ze een belangrijke rode draad. Cijfers kunnen patronen zichtbaar maken, maar vertellen nooit het volledige verhaal.

Achter percentages over seksuele intimidatie zitten ervaringen met grenzen en machtsverhoudingen. Achter metingen van overtuigingen en gevoelens zitten ideeën over rechtvaardigheid, identiteit en verantwoordelijkheid. En achter een risicoscore voor schooluitval zitten jongeren met sterk uiteenlopende onderwijsloopbanen en ondersteuningsbehoeften.

Kwantitatief onderzoek krijgt pas werkelijk betekenis wanneer we cijfers verbinden met praktijkkennis, context en menselijke ervaringen. Dat is misschien wel het belangrijkste inzicht dat we uit Tallinn meenemen: data geven ons niet automatisch het antwoord, maar kunnen ons wel helpen om betere vragen te stellen.

Laurens, Jan en Lydwin van Schoolmakers gingen drie dagen naar de AQMAPPS conferentie in Tallinn in het kader van BRIDGE horizon project. 

Lydwin: ik was het meest onder de indruk van de lezing van Dr. Johanna Rickne, Professor of Economics, Swedish Institute for Social Research (SOFI), Stockholm University.

“Sexual harassment and women’s academic careers”. Haar onderzoek ging over Deense (ex) doctoraats studentes. Zij wist ons te vertellen dat 47% van die vrouwen 1 of meerdere vormen van seksuele intimidatie meemaakte op het werk. In Denemarken zijn slechts 25% van alle proffen een vrouw. In Vlaanderen doen we het iets beter met 33% van alle vrouwen die prof zijn. 

Het doet me mijmeren over de plek van relationele en seksuele vorming in de het onderwijs. Over het bespreekbaar maken van machtsmisbruik, het aangeven van grenzen en het respecteren van grenzen. Het inoefenen van strategieën voor omstanders die getuigen zijn van grensoverschrijdend gedrag. Allemaal vaardigheden die moeten geoefend worden en de school kan daar een rol in nemen. Zouden er veel scholen dit opnemen onder de sociaal-relationele competentie

Inzicht van Laurens: De insteek van de conferentie was kwantitatief onderzoek. Tegelijk was het interessant om te zien dat overtuigingen en bepaalde gevoelens (die niet altijd makkelijk ‘meetbaar’ zijn) vaak mee onderwerp van studies zijn. Wat is de invloed van meritocratisch denken op de perceptie dat er eerlijke onderwijskansen bestaan? Of van opvoedingsstijlen als het over schoolkeuze gaat? Hoe zit de verhouding tussen gevoel van nationale verbondenheid en minderheidsidentiteit? Of hoe kunnen rechtvaardigheid, vertrouwen, sociale normen en morele verantwoordelijkheid ook ‘drivers’ zijn voor goed gedrag, eerder dan straffen die je boven het hoofd hangen?

Overtuigingen en gevoelens kwamen zo samen met cijfers, berekeningen en kwantitatief onderzoek – een interessante combinatie die ook voor het onderwijs veel kan bieden.

Eén risicoscore volstaat niet: Hoe pakken we vroegtijdig schoolverlaten écht doeltreffend aan?

Vroegtijdige schoolverlaters vormen geen homogene groep. Uit recent onderzoek met machine learning blijkt dat de profielen van jongeren die uitvallen sterk uiteenlopen: 👉 Van aanhoudende leerachterstanden en gedragsproblemen… 👉 …tot “onverwachte” uitvallers die administratief onder de radar blijven tot ze plots verdwijnen.

Als we vroegtijdig schoolverlaten in ons secundair onderwijs doeltreffend willen tegengaan, moeten we onze aanpak differentiëren. Drie concrete inzichten voor scholen en beleidsmakers:

1️⃣ Geen “one-size-fits-all” signalatiesystemen: Richt risico-identificatiesystemen zo in dat ze niet alleen aangeven hoe hoog het risico op uitval is, maar vooral welk type risico er speelt. 

2️⃣ Inzetten op de juiste ondersteuning: Zet bij leerlingen met een geschiedenis van dubbelen in op intensieve vakinhoudelijke remediëring. Kies bij overjarige jongeren of leerlingen die de aansluiting met school kwijt zijn eerder voor mentorschap, psychosociale begeleiding en een sterke ouderbetrokkenheid. 

3️⃣ Relaties centraal stellen: De band met leerkrachten en klasgenoten is een van de sterkste beschermende factoren. Investeren in een positief klasklimaat en een warm schoolteam verlaagt de kans op uitval aanzienlijk.

📚 Bron: Lema, M. D., Ludovico, M., & Agasisti, T. (2026). Beyond Prediction: Uncovering Dropout Patterns with Machine Learning in Italian Schools. Gepresenteerd op de 4th Annual Conference of Advanced Quantitative Methods and Analytics for Public Policy Support (AQMAPPS 2026), Estonian Business School, Tallinn.

Schoolmaker Lydwin Bulckens
lydwin@schoolmakers.be