Resultaten van Vlaamse toetsen, leerlingvolgsystemen, examens, gegevens over schoolloopbanen en leerlingenkenmerken, leerling- en ouderbevragingen, doorlichtingsverslagen, informatie over het welbevinden van leerlingen en personeel … Scholen beschikken over een brede waaier aan gegevens die hen kunnen helpen om zicht te krijgen op hun onderwijskwaliteit.
Aan data dus geen gebrek. Toch merken we in gesprekken met scholen dat het niet altijd eenvoudig is om die gegevens zinvol te benutten. Resultaten worden verzameld, maar de stap naar een grondige analyse en concrete beslissingen blijft vaak uit. Bovendien wordt het, naarmate er meer gegevens beschikbaar zijn, moeilijker om te bepalen welke informatie echt relevant is. Het risico bestaat dat het verzamelen en verwerken van data een doel op zich wordt.
Hoe kunnen we de beschikbare gegevens beter benutten om onderbouwde keuzes te maken? In een eerdere blog beschreven we hoe je vanuit een concrete vraag een meetplan en een datasheet kunt ontwikkelen. Hier bouwen we daarop voort en bekijken we hoe je data op verschillende beleidsniveaus kunt inzetten en een vaste plaats kunt geven in de kwaliteitsontwikkeling van je school of scholengroep.
1. Start met de vraag, niet met de data
Een eerste belangrijke keuze bij het werken met data is om te vertrekken vanuit de vragen die binnen de school of scholengroep leven. Welke inzichten hebben we nodig om ons onderwijs te versterken? En welke beslissingen willen we ermee onderbouwen? Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk vertrekken we nog vaak vanuit de gegevens die beschikbaar zijn, in plaats van vanuit de vragen die we willen beantwoorden.
En die vragen verschillen naargelang het beleidsniveau. Een schoolbestuur, directie, vakgroep en individuele leraar zijn allemaal betrokken bij de kwaliteit van het onderwijs, maar bekijken die vanuit een ander perspectief en hebben andere verantwoordelijkheden.
Neem bijvoorbeeld de leerprestaties van leerlingen. Een schoolbestuur zal eerder zicht willen krijgen op de resultaten van zijn verschillende scholen en de evolutie ervan, om te bepalen waar eventueel bijkomende ondersteuning of bijsturing nodig is. Een directie wil weten hoe de leerprestaties binnen de eigen school evolueren en of er opvallende verschillen zijn tussen leerjaren of leerlingengroepen, om schoolbrede prioriteiten te bepalen. Een vakgroep of graad onderzoekt welke leerdoelen leerlingen goed beheersen en waar moeilijkheden opduiken, om de onderwijsaanpak bij te sturen. Een leraar wil weten hoe de eigen leerlingen ervoor staan en wie bijkomende instructie of ondersteuning nodig heeft. Dezelfde redenering geldt voor andere aspecten van onderwijskwaliteit, zoals het welbevinden van leerlingen, de kwaliteit van de onderwijsleerprocessen of de begeleiding van leerlingen: verschillende beleidsniveaus hebben vaak andere vragen en dus nood aan andere data.
Om de informatiebehoefte op elk niveau scherp te krijgen, zijn drie vragen aan de orde:
- Waarover willen we beter zicht krijgen? Wat willen we precies te weten komen?
- Waartoe willen we die informatie gebruiken? Welke beslissingen of acties willen we ermee onderbouwen?
- Welke databronnen kunnen ons daarbij helpen? Welke gegevens zijn relevant om onze vragen te beantwoorden?
In onderstaande figuur passen we die redenering bij wijze van voorbeeld toe op de leerprestaties van leerlingen. (Wil je zelf aan de slag? Download het lege schema.)

Figuur 1. Van vraag naar databron op vier beleidsniveaus, telkens vertrekkend vanuit de leerprestaties van leerlingen.
2. Maak van data bruikbare informatie
Werken met datasheets
Wanneer duidelijk is welke vragen op de verschillende beleidsniveaus leven en welke databronnen hier mogelijk een antwoord op kunnen bieden, kan je bepalen hoe je de relevante gegevens het best samenbrengt en presenteert.
Bij Schoolmakers hebben we goede ervaringen met het werken met datasheets. Daarin brengen we gegevens samen in overzichtelijke tabellen en grafieken, afgestemd op de informatiebehoeften van de gebruikers. Het uitgangspunt is om de belangrijkste informatie samen te brengen op een beperkt aantal overzichtelijke pagina’s, zodat ze gemakkelijk kan worden gebruikt in gesprekken over de onderwijskwaliteit.
Welke informatie je opneemt, hangt af van de vragen die je wilt beantwoorden. Het kan gaan over leerresultaten en schoolloopbanen, maar evengoed over leerlingenkenmerken, welbevinden, onderwijsprocessen of de voortgang van beleidsprioriteiten. Het Referentiekader voor Onderwijskwaliteit (ROK) kan helpen om daarbij voldoende breed naar onderwijskwaliteit te kijken.
Goede datasheets maken het gemakkelijker om gegevens te interpreteren. Door resultaten over meerdere jaren naast elkaar te plaatsen, vergelijkingen te maken met relevante referentiegroepen of verschillen tussen leerlingengroepen zichtbaar te maken, krijgen cijfers meer betekenis. De visualisaties moeten helpen om patronen en aandachtspunten te herkennen.
Hoe ziet een datasheet eruit?
Figuur 2 toont een voorbeeld van een datasheet voor het beleidsteam van een basisschool, samengevat op één blad. Elk blok sluit aan bij een domein van het Referentiekader voor Onderwijskwaliteit. Onder de figuur lees je per blok wat het toont en waarom dat voor een beleidsteam interessant kan zijn.

Figuur 2. Voorbeeld van een datasheet voor een beleidsteam in het basisonderwijs, met een genummerd blok per domein van het ROK. Fictieve demonstratiedata.
- Context en input. Het aantal kleuters en leerlingen over vijf schooljaren, de klasgrootte, de leerlingenkenmerken en enkele kerncijfers over personeel. Deze gegevens schetsen de context waarin de school werkt en helpen om resultaten juist te interpreteren.
- Resultaten en effecten. De resultaten van het zesde leerjaar op de Vlaamse toetsen, naast die van vergelijkbare scholen, Vlaanderen en het vorige jaar. Zo krijgt het beleidsteam zicht op de mate waarin leerlingen de eindtermen bereiken.
- Ontwikkeling stimuleren. Hoe vaak de didactische afspraken van de school zichtbaar zijn in de lessen, op basis van klasobservaties. Dit helpt om na te gaan of afspraken ook effectief in de klaspraktijk terechtkomen.
- Personeels- en professionaliseringsbeleid. Welke professionalisering het team volgde, hoe tevreden deelnemers waren en welke impact ze na zes maanden ervaren. Zo kan je nagaan of professionalisering aansluit bij de prioriteiten van de school.
- Kwaliteitsontwikkeling. Per schoolprioriteit de stand van de uitvoering, de eerste effecten, wie verantwoordelijk is en wat de volgende stap is. Dit maakt het eenvoudiger om de voortgang op te volgen en tijdig bij te sturen.
Dit is een voorbeeld voor één beleidsniveau: het beleidsteam van een basisschool. Op dezelfde manier kan je een datasheet uitwerken voor een schoolbestuur, een vakgroep of graad, of een individuele leraar, telkens vertrekkend vanuit de vragen die op dat niveau leven. Een uitgebreidere versie van deze datasheet voor een beleidsteam, over drie bladen, kan je downloaden voor het basisonderwijs en het secundair onderwijs.
Een kanttekening: je kan een datasheet zo uitgebreid of zo beknopt maken als wenselijk is. Dit voorbeeld toont vooral wat er allemaal mogelijk is. Zie het dus niet als iets wat morgen op tafel moet liggen in jouw school. Het startpunt blijft altijd een beperkt aantal indicatoren die aansluiten bij jullie eigen vragen.
Een goede datasheet vraagt voorbereiding
Een datasheet bouw je niet van vandaag op morgen. Zoals hierboven al aangegeven, moet eerst duidelijk zijn welke informatie je wilt verzamelen en waarom. Vervolgens moet je nagaan waar die gegevens beschikbaar zijn en wat er nodig is om ze bruikbaar te maken.
Soms zijn mooie visualisaties al beschikbaar (bv. in het geval van de Vlaamse toetsen). Maar soms vraagt het behoorlijk wat werk achter de schermen. Gegevens moeten worden gelokaliseerd en geëxporteerd, soms uit verschillende systemen. Vervolgens moeten ze worden gecontroleerd, opgeschoond en waar nodig gecategoriseerd of gecombineerd, voordat ze in tabellen en grafieken kunnen worden weergegeven.
Begin daarom met een beperkt aantal indicatoren die aansluiten bij de belangrijkste beleidsvragen en bouw van daaruit verder. Zo vermijd je dat je veel tijd investeert in het verzamelen en verwerken van gegevens die uiteindelijk weinig worden gebruikt.
3. Werk met een jaarkalender
Een goede datasheet is een belangrijke stap, maar hoe zorg je ervoor dat de informatie ook daadwerkelijk wordt gebruikt? Dat vraagt om een systematische aanpak, waarbij het verzamelen, ontsluiten, analyseren en bespreken van gegevens een vaste plaats krijgt in de werking van de school of scholengroep.
Een jaarkalender kan daarbij helpen. Daarin leg je vast wanneer gegevens worden verzameld en verwerkt, wanneer de datasheets worden bijgewerkt en op welke momenten de resultaten worden besproken. Ook de opvolging van beslissingen en acties krijgt er een plaats in. Zo wordt het werken met data een terugkerend proces, waarbij je regelmatig nagaat of de gekozen aanpak het gewenste effect heeft. Niet elk beleidsniveau hoeft daarbij hetzelfde ritme te volgen. De planning hangt ook samen met de momenten waarop gegevens beschikbaar komen.

Figuur 3. Invulbare jaarkalender per beleidsniveau.
Zo’n kalender helpt om duidelijke afspraken te maken over wie verantwoordelijk is om de data te verzamelen en te ontsluiten en wanneer de verschillende stappen plaatsvinden. Tegelijk is het belangrijk om voldoende ruimte te voorzien voor een grondige bespreking van de resultaten. Welke inzichten leveren de gegevens op? Wat betekenen ze voor onze onderwijspraktijk? En welke beslissingen verbinden we eraan?
(Wil je zelf aan de slag? Download de kalender.)
4. Meten om te weten, maar vooral om beter te handelen
Scholen beschikken vandaag over heel wat mogelijkheden om hun onderwijskwaliteit systematisch in beeld te brengen. De uitdaging bestaat erin om die informatie ook daadwerkelijk te benutten.
Daarbij mogen we niet vergeten dat gegevens op zichzelf geen antwoorden geven. Ze kunnen ons helpen om patronen en mogelijke problemen zichtbaar te maken, maar vertellen ons niet automatisch hoe we die moeten verklaren of welke aanpak het meest aangewezen is. Daarvoor moeten we de gegevens verbinden met de professionele expertise van onderwijsprofessionals en inzichten uit wetenschappelijk onderzoek.
Uiteindelijk is het succes van data-ondersteund werken dan ook niet af te meten aan het aantal indicatoren dat een school opvolgt of de hoeveelheid gegevens die ze verzamelt. Veel interessanter is de vraag welke inzichten die gegevens hebben opgeleverd en welke beslissingen daardoor beter onderbouwd konden worden.
Misschien is dat een goede vraag om bij een volgend datagesprek eens expliciet te stellen: wat weten we vandaag dat we voordien niet wisten? En wat gaan we met die kennis doen?
Zelf aan de slag?
Wil je onderzoeken hoe je de beschikbare gegevens beter kunt benutten voor je onderwijskundig beleid? Bij Schoolmakers denken we graag met je mee, via een gerichte adviessessie, een workshop met je beleidsteam of bestuur, of een uitgebreider traject waarin we samen een meetplan en bijbehorende datasheets ontwikkelen.
Neem vrijblijvend contact op via jetje@schoolmakers.be.
Leestips: Starten met data: aan de slag in vier stappen; Van kwaliteitszorg naar kwaliteitsontwikkeling: zeven bouwstenen voor een stevig fundament.